Een wollige bestuurder
door: Isaäk Mol, trainer / adviseur Stavoor, e-mail: imol@stavoor.nl
Het staat niet bij de functie-eisen van directeuren vermeld, maar ze kunnen het wel vaak: wollig praten. En ook vooral in het overleg met de OR. Het praat en het praat maar en de OR zit erbij en kijkt er naar. Er zitten immers zoveel verbanden, moeilijke woorden en schijnbaar relevante opmerkingen in, dat het al moeilijk genoeg is om je aandacht erbij te houden. Er tussen komen zit er niet in. Alleen de voorzitter, die schijnt het wel te kunnen volgen …
Een stukje over wolligheid.
Er zijn verschillende manieren om hetzelfde te zeggen.
Twee pubermeisjes kun je bijvoorbeeld beschrijven op een eenvoudige wijze: ‘Twee meiden die langzaam vrouw worden, van alles ontdekken, tegendraads kunnen zijn maar ook nog een beetje kind. Voor ouders niet altijd gemakkelijk, maar dat zijn hun ouders ook niet altijd voor hen.’
Maar je kunt het ook wat wolliger zeggen: ‘Een vriendschap tussen twee meiden die zich in de opwindendste periode van hun leven bevinden, tijdens de grootste verbouwing van de natuur: de puberteit. Het meisjeslichaam wordt vrouw en dat willen de meiden weten ook. Met een hilarische vastberadenheid proberen de pubers de aanstormende volwassenheid te pareren. Ze gaan op zoek naar uitersten, oefenen in volwassen zijn, geven zich over aan hartstocht, fysieke liefde en levenslustige gulzigheid. Ze zijn een twee-eenheid die door niemand te scheiden is. Ze gooien alle remmen los.’
Niet echt een andere boodschap, wel veel wolliger. Als je bestuurder over onderwerpen uit de organisatie nu ook dit soort taal bezigt, wat kun je daar dan als OR mee?
Waarom zijn bestuurders wollig?
Laten we eens een aantal redenen bij de kop pakken waarom bestuurders de neiging hebben om voor OR-leden wollig taalgebruik te hanteren.
Allereerst: besturen is hun dagelijks werk. Daarbij hoort abstract denken, relaties zien tussen onderwerpen, niet teveel van de ‘werkvloer’ weten, visie hebben. Daar hoort een heel eigen jargon bij, met woorden, termen, afkortingen die voor de bestuurder gesneden koek zijn. Het gemiddelde OR-lid zit er met zijn oren bij te klapperen.
In de tweede plaats kan een wollige bestuurder het best goed bedoelen. Hij wil de OR graag alles zo goed mogelijk uitleggen, is naar zijn eigen idee heel open. Dat het voor de OR ingewikkelder is dan voor hem en dat de OR graag wat concreter praat, ach, daar staat hij even niet bij stil.
Verder hoort het natuurlijk bij de functie en de status van bestuurder dat je van weinig toch een aardig verhaal kan maken. Een goede presentatie, een leuke speech, zonder dat je natuurlijk inhoudelijk al te veel zegt.
Een andere reden is dat de bestuurder het verhaal dat de OR wil horen ook al in de directie verteld heeft, bij het MT, bij de Raad van Toezicht, de Raad van Commissarissen of het College. Het is versie 4 van hetzelfde en hij zal het na de OR nog wel vaker mogen doen. Het is zijn automatische-piloot-verhaal.
Last but not least: de OR zorgt dat de bestuurder een wollig verhaal gaat afsteken, omdat de OR eigenlijk niets te melden heeft, een ontzettend vage vraag stelt of niet nagedacht heeft wat hij eigenlijk wil weten. Een dergelijk gesprek gaat dan ook nergens over. En dan is wolligheid voor de hand liggend.
Strategisch wollig zijn
Bovenstaande redenen voor wolligheid zijn tamelijk algemeen. De bestuurder kan wolligheid natuurlijk ook als strategisch instrument hanteren. Een beetje zoals Hinault vroeger tijdens de Tour de France in het gebergte fietste: als ik maar zo hard mogelijk die Alpencol op ga dan kunnen ze me net of net niet volgen, dan ben ik bepalend en dat is wel zo veilig. Welke strategische belangen kan de bestuurder hebben als hij de OR ‘plat’ praat met een abstract verhaal vol allerhande schijnbaar relevante informatie? Enkele opties:
· |
hij krijgt geen moeilijke vragen meer van de OR, die eten immers uit zijn hand met een dergelijk goed verhaal |
· |
hij weet zelf niet zo heel veel van hoe dingen nu concreet in de organisatie gaan (dat zit minstens twee hiërarchische lagen onder hem), dat hij het maar wat vager houdt |
· |
imponeren: ‘wat weet hij er veel van zeg!’ |
· |
intrigeren door leuk te vertellen: ‘wat doet hij dat toch goed’ |
· |
afleiding. Meestal wordt dan wat de OR inbrengt eerst afgewimpeld (‘daar zijn we nu nog niet aan toe’). Vervolgens komt er een heel verhaal wat er allemaal nog gaat gebeuren. Dan sluit hij af met: ‘dus wat jullie zeggen, daar zijn we voorlopig nog niet aan toe’. |
In alle gevallen gebruikt de bestuurder de wolligheid net als Hinault: hij blijft de leiding in het gesprek hebben.
Wat kan de OR met die wolligheid?
Als de OR een overleg met de bestuurder heeft, moet de OR ervoor zorgen voorbereid te zijn op dat overleg. Hij moet goed weten wat hij bij het onderhavige onderwerp van belang vindt. Hij moet precies bepaald hebben waar hij wat van de bestuurder van wil horen. En hij moet weten wat hij zelf wil inbrengen. Heeft de OR dat verzuimd, dan zal de vergadering weinig inhoud hebben en is er een reëel gevaar van wolligheid van de zijde van de bestuurder.
Als de OR zich wel voorbereid heeft, staan er in principe twee strategieën open. Gemeenschappelijk kenmerk daarvan is dat de OR de leidende rol in het gesprek neemt en vasthoudt. Niet door veel te praten, maar vooral door te vragen en te complimenteren.
Allereerst de zakelijke aanpak. Begin met een open vraag aan de bestuurder en gebruik vervolgens het recept van Luisteren-Samenvatten-Doorvragen (LSD). Luister even naar de bestuurder, vat hem samen en stem dat af en stel vervolgens een gerichte doorvraagvraag. Daarmee dwing je de bestuurder tot concreetheid. Gaandeweg kan de OR dan zijn eigen belangen inbrengen.
De relationele aanpak. De OR benadert de bestuurder als persoon. De bestuurder voelt zich gestreeld, de sfeer is goed en de bestuurder is genegen de OR tegemoet te komen of zaken te vertellen die niet in zijn automatische-piloot-verhaal zitten. Het is strategie van verleiden. Een beetje flirterig misschien wel. Als de bestuurder toenadering zoekt, kan de OR zijn eigen belang inbrengen.
Tot slot
Als je iets niet begrijpt, kun je er het beste een gewoonte van maken dit meteen te zeggen. Het is namelijk veel dommer om net te doen of je het wel begrijpt: je kunt dan niet meer meedoen. Je kan het natuurlijk wel met een kwinkslagje vragen, een beetje wollig bijvoorbeeld.
Terug
|